VVD Eurofractie on-line


Spreekpunten ter gelegenheid van de studiedag Vrouwenbelangen, thema "Grenzenloos": Europese uitbreiding en Conventie

12 oktober 2002
door Elly Plooij- van Gorsel

Geachte aanwezigen,

Hartelijk dank voor uw uitnodiging om hier voor u te mogen spreken op deze studiedag van Vrouwenbelangen. U heeft gekozen voor het thema "Grenzenloos", waarmee u aangeeft een goed besef te hebben van de betekenis en het belang van de huidige ontwikkelingen op mondiaal, en ook Europees niveau. De mondialisering laat grenzen vervagen, wat enerzijds positieve gevolgen heeft. Handelsbetrekkingen worden aangetrokken wat uiteraard economische welvaart genereert. En velen onder u kennen ongetwijfeld de voordelen van de nieuwe communicatiemiddelen: met e-mail en Internet zijn we nu bijvoorbeeld gemakkelijk in staat met vrienden en verwanten in het buitenland te communiceren. Kortom, de afstanden zijn verkleind doordat de grenzen vervagen.
Anderzijds moeten we ook alert reageren. Deze nieuwe ontwikkelingen vereisen een aanpassing van de oude instituties, regelgeving, werkwijzen en gewoonten. Ik kan u verzekeren dat wij in het Europees Parlement daar volop mee bezig zijn.

Ook op Europees niveau verdwijnt de klassieke rol van de grenzen. Ten eerste is daar de voltooiing van de interne markt, waardoor Europese binnengrenzen afgebroken worden. Op economisch en monetair gebied is er sprake van een hoog niveau van integratie van de vijftien EU-lidstaten, met als meest tastbare resultaat onze gezamenlijke munt, de euro. Ten tweede is men in Europa nu in het proces van het verleggen van de buitengrenzen: de uitbreiding.
We hebben nu in Europa een historisch moment bereikt: de EU staat op het punt verregaande beslissingen te nemen over de uitbreiding van de Unie. De toetreding van de huidige kandidaat-lidstaten betekent dat de kunstmatige scheiding tussen West-Europese landen en Midden- en Oost-Europese landen definitief wordt opgeheven. De beslissing over toetreding van deze landen is een belangrijke beslissing, die in december van dit jaar in Kopenhagen door de Raad van Ministers wordt genomen.

Zo'n ingrijpende beslissing wordt natuurlijk niet zomaar genomen. De kandidaat-lidstaten zijn akkoord gegaan met criteria waaraan zij moeten voldoen om toe te kunnen treden tot de EU. Op basis van deze criteria worden de onderhandelingen gevoerd en voortgangsrapporten gemaakt door de Europese Commissie. Op dit moment worden er onderhandelingen gevoerd met twaalf landen, waarvan de Commissie beoogt tien van deze landen in 2004 te laten toetreden.
De zogenaamde "Kopenhagen"- criteria waaraan de kandidaten moeten voldoen zijn van politieke, economische en juridische aard, namelijk:
• de kandidaatlidstaten moeten beschikken over een stabiele democratische rechtsstaat waarin mensenrechten en rechten van minderheden worden gerespecteerd;
• de kandidaatlidstaten moeten een functionerende markteconomie hebben;
• de kandidaatlanden moeten het bestaande Gemeenschapsrecht (acquis communautaire) overnemen;
Verder is er nog een belangrijk criterium: de Unie moet zelf ook klaar zijn voor de uitbreiding met tien danwel twaalf landen. De instituties van de EU zijn op dit moment immers ingericht op vijftien lidstaten, en dienen ingrijpend hervormd te worden alvorens nieuwe landen kunnen toetreden. Zo heeft elke lidstaat bijvoorbeeld zijn eigen Commissaris in de Europese Commissie, de vijf grotere lidstaten zelfs twee, waardoor de Commissie thans uit twintig Commissarissen bestaat. Met de tien nieuwe landen zouden dat er dertig worden, waardoor besluitvorming in de Europese Commissie moeizaam, zoniet nagenoeg onmogelijk wordt.
Of neem bijvoorbeeld de Raad van Ministers: er zijn nog teveel beleidsterreinen waarop de Raad op basis van unanimiteit moet besluiten, wat vaak leidt tot een trage besluitvorming of compromisbesluiten die de kern van de zaak niet raken. Besluitvorming door middel van gekwalificeerde meerderheid zou efficiënter kunnen werken, mits er in dat geval voorzien wordt in democratische controle.
Want daar ontbreekt het in dit geval aan op de beleidsterreinen waar de Raad op dit moment wel bij meerderheid beslist, zoals het Europese landbouwbeleid. De institutionele hervormingen die EU-uitbreiding mogelijk moeten maken zouden derhalve ook moeten voorzien in meer bevoegdheden voor het Europees Parlement om de democratische controle te waarborgen.

Het Verdrag van Nice, dat die institutionele hervormingen door zou moeten voeren teneinde de Unie klaar te stomen voor de uitbreiding, maakt echter zijn beperkte ambities op geen enkele wijze waar. De complexe besluitvorming in de Raad is niet vereenvoudigd, en de democratische controle is in mijn optiek niet afdoende gewaarborgd. Om nog maar te zwijgen van het gebrek aan voortgang inzake de landbouwhervormingen en structuurfondsen.
Kortom, de toestand van de noodzakelijke institutionele hervormingen is op dit moment schrijnend, en dat is een slechte zaak.

De Europese Commissie is wat dat betreft een stuk optimistischer, want die heeft onlangs besloten dat tien kandidaat-lidstaten in aanmerking komen voor het EU-lidmaatschap in 2004. Het gaat specifiek om Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tjechië, Slowakije, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus. Dit voorstel van de Commissie wordt eind deze maand (oktober) op een top van de Raad in Brussel besproken. Op die top wordt besloten of het voorstel van de Commissie wordt aangenomen en of met deze tien nog dit jaar de toetredingsonderhandelingen worden afgerond. Zoja, dan wordt op de bijeenkomst van de Raad in Kopenhagen de eindbeslissing genomen.
Het zijn echter niet alleen de ministers, regeringsleiders en staatshoofden die hierover beslissen: het Europees Parlement en de nationale parlementen spelen ook een rol. Het Europees Parlement moet haar goedkeuring aan het toetredingsbesluit verlenen aan het einde van het traject, wanneer de onderhandelingen zijn afgerond. Het Parlement is uiteraard vanwege deze beslissende rol al in een vroeg stadium betrokken bij dit traject. Ook de nationale parlementen moeten hun goedkeuring verlenen. Het verschil is echter, dat de Tweede Kamer zich voor of tegen uitbreiding met alle tien de kandidaten tegelijk uitspreekt, terwijl het Europees Parlement over elk land afzonderlijk oordeelt.
Voor mij als Europarlementariër is het belangrijk dat de criteria nageleefd worden. Als we binnen het raamwerk van de politieke, economische en juridische Kopenhagen-criteria kijken naar de kandidaatlidstaten afzonderlijk, zien we bijvoorbeeld dat Estland en Slovenië prima aan de criteria voldoen. Die zouden dus gemakkelijk kunnen toetreden, maar zijn afhankelijk van de voortgang van andere kandidaten, zoals Polen, waar nog wat meer haken en ogen zitten aan de toetredingsonderhandelingen (men denke aan de Europese zorgen over Poolse corruptie en de integratie van Polen in het Gemeenschappelijk landbouwbeleid).
Daarom ben ik tegen het zogenaamde 'Big Bang'-scenario dat de Commissie nu voor ogen heeft, namelijk deze tien landen tegelijk toe laten treden. Een geleidelijke toetreding van kandidaat-lidstaten die daadwerkelijk aan de criteria voldoen lijkt me effectiever omdat er op die manier geen 'overstretch', geen geforceerde overbelasting ontstaat op de instellingen en voorzieningen van de EU.

De verschuiving van de Europese buitengrenzen vind ik op zich dus een goede zaak, maar het moet haalbaar zijn, zowel financieel, met instandhouding van het Stabiliteitspact en de broodnodige hervormingen van het landbouwbeleid en regionale structuurfondsen, als institutioneel.
Men moet immers zijn huis op orde hebben voordat men gasten ontvangt.

Ik wil echter niet stellen dat er binnen de Unie niet hard genoeg gewerkt wordt aan voorbereidingen voor de toekomst. U heeft mij gevraagd te spreken over de Conventie, en daarmee slaat u de spijker op zijn kop. Want waar houdt de Europese Conventie zich nu mee bezig?

De Europese Conventie is een soort denktank die door de Raad is aangesteld om zich te bezinnen op de toekomst voor Europa. Als zodanig, kan zij ook niet los worden gezien van de uitbreidingsplannen. De Conventie legt zich onder meer toe op problemen zoals:
• de afbakening van bevoegdheden tussen de Europese Unie en de Lidstaten,
• op welke wijze democratie in de EU verzekerd kan worden en gewaarborgd blijft,
• hoe de taken van de instellingen beter kunnen worden afgebakend, en
• hoe een samenhangend en doeltreffend extern optreden van de EU kan worden georganiseerd.
Het is de bedoeling dat de inspanningen van de Conventie resulteren in een verdragswijziging. Het nieuwe verdrag zou een solide, welhaast constitutioneel karakter moeten hebben teneinde Europa klaar te maken voor de toekomst. Hier kom ik dadelijk nog op terug.

De leden van de Conventie zijn vertegenwoordigers uit alle relevante politieke instituties van de Unie, lidstaten en ook kandidaatlidstaten. De kandidaatlidstaten luisteren en spreken mee omdat de toekomst van Europa ook hen aangaat. Zij hebben echter een andere status omdat hun mening niet in de weg kan staan van een consensus, dat wil zeggen dat de EU-leden het laatste woord hebben.
De Conventie brengt de belangrijkste belanghebbenden bij het debat over de toekomst van de Unie bijeen. Naast de voorzitter (Valéry Giscard d'Estaing) en de twee vice-voorzitters (Guiliano d'Amato en Jean-Luc Dehaene) is de Conventie samengesteld uit:
• 15 vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten (1 per lidstaat). Nederland wordt nu vertegenwoordigd door Gijs de Vries (VVD).
• 13 vertegenwoordigers van de staatshoofden en regeringsleiders van de kandidaat-lidstaten (1 per kandidaat-lidstaat),
• 30 vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de lidstaten (2 per lidstaat), Voor Nederland zijn dat Frans Timmermans (PvdA) en René van der Linden (Eerste Kamer, CDA)
• 26 vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de kandidaat-lidstaten (2 per kandidaat-lidstaat)
• 16 leden van het Europees Parlement, (Hanja Maij- Weggen is de Nederlandse Europarlementariër)
• 2 vertegenwoordigers van de Europese Commissie.
Verder heeft ieder vast lid van de Conventie een plaatsvervanger, en zijn er ook waarnemenrs aangesteld: het Economisch en Sociaal Comité (drie vertegenwoordigers), het Comité van de Regio's (zes vertegenwoordigers), de sociale partners (drie vertegenwoordigers) en de Europese ombudsman zijn als waarnemers uitgenodigd.

De leden van de Conventie komen in plenaire zittingen en in afzonderlijke werkgroepen bijeen om oplossingen te zoeken voor voornoemde problemen, zoals democratische legitimiteit en de verhouding tussen de EU en de lidstaten.
De Conventie is geen perpetuum mobile, maar is gedurende een jaar aan het werk. Aan het einde van dat jaar, in 2003, zal de Conventie haar voorstellen presenteren aan de Raad, op de Intergouvernementele Conferentie (IGC). Deze IGC zal dan idealiter een nieuw verdrag aannemen dat als een grondwet van de EU moet dienen.
Meer concreet zal eind deze maand, namelijk op 28/29 oktober, tijdens de plenaire zitting van de Conventie een raamwerk voor een constitutioneel verdrag gepresenteerd worden. Dit is echter nog een raamwerk, de specifieke invulling wordt later vastgesteld.
Een dergelijk constitutioneel verdrag zou de doelstellingen van de EU moeten vaststellen, voorzien in fundamentele rechten, de besluitvormingsprocedures en competenties van de instellingen zoals reeds gezegd, maar ook zaken zoals gender equality, gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Wat de afbakening van taken tussen de Europese instellingen betreft: in september hebben de Conventieleden gedebatteerd over een vereenvoudiging van besluitvormingsprocedures. Veel sprekers hebben ervoor gepleit om minder besluiten te laten nemen op grond van unanimiteit, maar meer op basis van gekwalificeerde meerderheid. Dat niet alleen, men pleit ook voor meer co-decisie, dat wil zeggen dat het Europees Parlement medebeslissingsrecht heeft over de wetsvoorstellen en het niet alleen de Raad (dus de lidstaten) is die het voor het zeggen hebben. Verder waren veel leden van mening dat het initiatiefrecht niet alleen bij de Commissie zou moeten liggen, maar ook bij het Europees Parlement.
Dit soort zaken juich ik van harte toe, omdat dit zou resulteren in een sterkere democratische controle en een volwaardige rol als (mede)wetgever voor het Europees Parlement.

Deze uiteenzetting geeft slechts een globaal beeld van de bezigheden van de Conventie, want de diverse werkgroepen zijn specifiek bezig met concrete beleidszaken die alle Europese burgers aangaan, zoals economisch bestuur, defensie, veiligheid enzovoorts.
Maar ik wilde graag de aandacht vestigen op de brede ambitie die de Conventie heeft om te komen tot een solide gefundeerd en vooral democratisch legitiem Europa.
Indien de Conventie en ook de IGC van 2003 hun ambities waarmaken, heeft het Europa zonder binnengrenzen en verschoven buitengrenzen de juiste uitrusting als een volwaardige mondiale actor de toekomst tegemoet te treden.

 

  Vorige Home