![]() |
||
VVD Eurofractie on-lineBetreft: Gemeenschapsrecht inzake openbare aanbestedingen Uw schriftelijke vraag P-1981/03 van 10 juni 2003 (Rol NOS bij Europese aanbestedingsregels voor DAB-zenders) en het antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie van 8 juli 2003. Follow-up. Geachte mevrouw Plooij- van Gorsel, In zijn antwoord op uw bovenvermelde vraag heeft de heer Bolkestein aangegeven dat de Commissie, op basis van de door het geachte parlementslid verstrekte informatie, tot de conclusie is gekomen dat zij geen bewijs heeft voor activiteiten die duiden op een mogelijke inbreuk op het Europese aanbestedingsrecht, maar dat zij niet zal aarzelen om in het kader van artikel 226 van het EG-verdrag actie te ondernemen ingeval uit nieuw bewijs zou blijken dat er wellicht toch inbreuk op deze wetgeving is gemaakt. Mijn diensten hebben in dit verband een onderzoek uitgevoerd en ik wil u hierbij graag over de resultaten van dit onderzoek informeren. Bij brief van 22 september 2003 hebben wij de Nederlandse autoriteiten verzocht ons alle nuttige informatie en documentatie te doen toekomen omtrent deze aanbesteding, alsmede de relatie tussen de NOS en Nozema. De Nederlandse autoriteiten hebben bij brieven van 20 oktober en 4 november 2003 informatie verstrekt. Deze zaak is eveneens besproken tijdens een vergadering tussen vertegenwoordigers van de Commissie en de Nederlandse autoriteiten die op 22 oktober heeft plaatsgevonden. In een vonnis van 28 augustus 2003 betreffende de aanbesteding in kwestie heeft de voorlopige voorzieningsrechter te Amsterdam de NOS verboden om aan de gunningsbeslissing gevolg te geven en heeft de NOS bevolen de opdracht opnieuw aan te besteden vanaf het stadium van de beoordeling van de offertes. De rechter heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een schending van het beginsel van non-discriminatie, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de NOS de eerlijke mededinging heeft beperkt of uitgeschakeld. Betreffende de dubbele bestuursfunctie van één persoon in de Raad van Bestuur van de NOS en de Raad van Beheer van Nozema, heeft de NOS voldoende aannemelijk gemaakt dat waarborgen zijn getroffen om deze persoon niet bij de aanbestedingsprocedure te betrekken. Wat de kennis van Nozema op het gebied in kwestie betreft heeft de rechter geoordeeld dat op de NOS niet de verplichting rust om Nozema van een aanbestedingsprocedure uit te sluiten, omdat Nozema ervaring heeft verkregen door haat wettelijk monopolie tot 1998 op distributiediensten voor landelijke omroepdiensten en door eerdere voor de NOS uitgevoerde opdrachten. De rechter heeft echter geoordeeld dat er sprake is van een schending van het transparantiebeginsel, omdat één criterium voor de identificatie van de economisch meest voordelige aanbieding niet inzichtelijk en niet controleerbaar was en omdat zowel het toe-, als afwijzingsbesluit gebrekkig gemotiveerd waren. De NOS heeft aan dit vonnis uitvoering gegeven. De Commissie heeft dientengevolge op 30 maart 2004 besloten deze zaak te seponeren. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met de meeste hoogachting, B. Carsin |
||