VVD Eurofractie on-line
Biotechnologie
verdient ruime steun van het parlement
(Verschenen
in het Financiële Dagblad
d.d. 14 juni 2000)
Elly
Plooij (VVD-Europese fractie) en Thijs Udo (VVD-Tweede Kamerfractie) pleitten
in Het Financiële Dagblad voor de ontwikkeling van moderne biotechnologie
met maximale aandacht voor mens, dier en milieu.
De
Tweede Kamer debatteert deze maanden over biotechnologie en de wijziging
van de Rijksoctrooiwet. Deze wijziging is noodzakelijk om de Europese
richtlijn ter bescherming van biotechnologische uitvindingen, in de Nederlandse
wetgeving te implementeren.
Deze richtlijn benadrukt dat voor elke uitvinding die nieuw is, octrooi
verleend kan worden. De door de richtlijn aangebrachte verduidelijking
is daarin gelegen, dat zij enerzijds de specifieke typen uitvindingen
nadrukkelijk als octrooieerbaar aanwijst en anderzijds de gronden voor
niet-octrooieerbaarheid aanscherpt.
Voorbeelden op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn het octrooi op
een bepaalde plant die resistent is tegen ziekten en plagen of een hoge
tolerantie heeft tegen droogte. Biotechnologie op dierlijk gebied is daarnaast
weer uitermate belangrijk voor preventie en nieuwe behandelmethoden van
(tot nu toe) ongeneeslijke ziekten bij de mens, zoals hart- en vaatziekten,
kanker, reuma, Alzheimer, diverse spierziekten, jeugdsuikerziekten en
de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Ook biedt biotechnologie grote
mogelijkheden voor een wereldwijde efficiente landbouw, die de voedselsituatie
in de ontwikkelingslanden zal verbeteren en waarbij minder bestrijdingsmiddelen
nodig zijn. Kortom, hier is sprake van een grote uitdaging en impuls voor
de (Nederlandse) samenleving.
Tot op heden bestaat het verkrijgen van octrooibescherming in de Europese
Unie (in verhouding tot de VS en Japan) uit een lange, gefragmenteerde
en kostbare proceduregang, waardoor ondernemingen ernstig worden gehinderd
bij innovatief onderzoek. De octrooirichtlijn brengt daarin verandering
en moet voor 30 juli 2000 in de Nederlandse wetgeving worden ingevoerd.
In tegenstelling tot de VVD- Tweede Kamerfractie vindt een deel van de
Tweede Kamer dat de richtlijn te ver gaat in het beschermen van biotechnologische
uitvindingen. Hiermee staat Nederland alleen. De onderliggende motivatie
van Nederland, dat octrooi op planten en dieren niet mag, wordt in andere
landen niet gevolgd. Bovendien wordt er volledig aan voorbijgegaan dat
het gaat om regelgeving waaraan op Europees niveau meer dan tien jaar
is gewerkt! Een eerste richtlijnvoorstel stuitte op veel onbegrip en sneuvelde
in 1995 op het laatste moment in het Europees Parlement. Jaren van overleg
tussen de lidstaten, het Europees Parlement en wetenschap en industrie
volgden. Dit leidde in 1998 tot de goedkeuring van de huidige richtlijn.
De inhoudelijke debatten in de Tweede Kamer hebben dan ook een hoog 'déjà
vu' gehalte.
Het Europees Parlement is intussen al lang bezig aan de volgende etappe.
Op dit moment wordt regelgeving herzien (richtlijn 90/220) die bepaalt
onder welke voorwaarden landbouwgewassen of zaden die genetisch gemodificeerd
zijn, op de markt mogen worden gebracht. Daarmee wordt feitelijk een beslissing
genomen over de toekomstige ontwikkeling van biotechnologie in Europa.
Een technologie die een belangrijke bijdrage levert aan de verbetering
van de kwaliteit van onze gezondheidszorg, het milieubeheer en onze voeding,
en bovendien een stimulans is voor de werkgelegenheid in Europa.
Maatschappelijk debat
De herziening van richtlijn 90/220 biedt de Europese Unie de kans terug
te komen op de eerdere verklaring van de Europese ministers van milieu
van juni vorig jaar, tot 2002 nieuwe toelatingen van genetisch gemodificeerde
zaden en gewassen te blokkeren. Deze verklaring, afgedwongen door alle
voedselschandalen waarmee Europa geconfronteerd werd, was meer op emoties
dan op ratio gebaseerd. Uitvoering ervan leidt tot verdere vergroting
van de achterstand van Europa, en dus ook van Nederland, op Amerika en
Japan, waar de ontwikkelingen gewoon doorgaan.
In tegenstelling tot wat diverse milieubewegingen de samenleving willen
doen geloven, zijn er geen wetenschappelijke publikaties over enig negatief
effect van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) op het milieu en
de voedselveiligheid. Integendeel, de afgelopen 25 jaar heeft moderne
biotechnologie zich, dankzij succesvolle bioveiligheidscontrole, zeer
zorgvuldig ontwikkeld. Biotechnologie schaart zich daarmee onder de veiligste
megatechnologieën die in de 20e eeuw tot ontwikkeling zijn gekomen.
Waarom gaan er dan toch steeds weer stemmen op voor een moratorium op
markttoelating van producten en gewassen die met behulp van biotechnologie
zijn verkregen? De roep om een moratorium wordt voornamelijk ingegeven
door angst alsmede door de gedachte dat absolute veiligheid (nog) niet
kan worden gegarandeerd. Hierbij worden alle bestaande zorgvuldige test-
en toelatingsprocedures vergeten, evenals het feit dat met een dwingende
eis van absolute veiligheid geen leven, en daarmee geen vooruitgang, mogelijk
is.
Een open, moderne maatschappij zoals de Nederlandse kan zich geen stilstand
veroorloven en moet zich niet buiten de discussie laten plaatsen. De afgelopen
25 jaar heeft laten zien, dat zorgvuldige voorzorgen en controle wel degelijk
met innovatieve vooruitgang kunnen worden gecombineerd. Het kabinet zag
dat gelukkig ook en kondigde geen moratorium af, maar startte in plaats
daarvan een maatschappelijk debat. Voorwaarde voor een succesvol maatschappelijk
debat over gentechnologie is wel dat er ruimte is voor argumenten van
voor- en tegenstanders. Maar bovenal dient een maatschappelijke discussie
over biotechnologie gevoerd te worden op grond van wetenschappelijke argumenten
en niet op basis van emotie. Daarnaast dient biotechnologie in een internationale
context geplaatst te worden. Zoals de meeste moderne technologieën wordt
biotechnologie mondiaal toegepast. Eenzijdige nationale maatregelen leiden
dan ook niet tot het gewenste effect.
Van "Nee, Tenzij"naar
"Ja, Mits",
Dat blijkt wel uit het Nederlandse wetgeving op het gebied van de dierlijke
biotechnologie. Deze zogenaamde "Nee-Tenzij wetgeving" houdt
momenteel een ethische toets van biotechnologische experimenten met dieren
in en heeft geleid tot een verbod op het kloneren van dierlijk materiaal
(b.v. de productie van melk bij transgene konijnen). Hiermee is Nederland
een buitenbeentje in de wereld.
Het Nederlandse 'eiland denken' heeft inmiddels geleid tot het verplaatsen
van de transgene dieren van het Leidse bedrijf Pharming naar het buitenland
waarmee een belangrijk stuk onderzoek en werkgelegenheid voor ons land
verloren gaat. Europese landen als Finland en België hebben Pharming met
open armen ontvangen, vooral omdat Pharming inmiddels de reputatie had
opgebouwd zorgvuldig en binnen nauwe ethische kaders met dierlijke biotechnologie
en transgene dieren om te gaan. Daar worden dus nu de producten gemaakt
die bij ons op de markt komen!
Vanuit Brussel is aangegeven dat het Nederlandse 'Nee, Tenzij" beleid
op gespannen voet staat met internationale afspraken zoals die onder de
WTO. Reden te meer om biotechnologie bij dieren om te zetten realistischer
te gaan benaderen, echter wel met zorgvuldige controle en verantwoording.
Risico-analyse
Het Nederlandse beleid inzake biotechnologie is als een rijdende auto
die nog op de handrem staat. Ons land plaatst zich daarmee bewust op een
achterstand. Het wordt tijd de remmen eraf te halen en een inhaalslag
te beginnen. Dat betekent natuurlijk niet dat roekeloos omgegaan moet
worden met risico's.
Willen we als samenleving biotechnologie echter optimaal gebruiken, dan
moeten we ons een afgewogen oordeel vormen van de voor- en nadelen ervan,
op basis van wetenschappelijke argumenten. Juist en vooral in een democratisch
gelegitimeerd land als Nederland zal de ontwikkeling van de moderne biotechnologie
waardig en veilig kunnen geschieden met maximale aandacht voor mens, dier
en milieu. Geen reden voor ongerustheid, integendeel. Wel een reden deze
uitdaging in deze eeuw op te pakken.
|